Beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd doorstaat de toetsing aan de Grondwet

Door de Programmawet van 18 juli 2025 werd het recht op werkloosheidsuitkeringen beperkt in de tijd. Voordien was dat niet zo. Verschillende personen en organisaties probeerden de wet te laten vernietigen door het Grondwettelijk Hof. Zij argumenteerden dat de wet in strijd is met enkele bepalingen uit de Grondwet. In een arrest van 10 september 2026 besliste het Hof dat de wet niet in strijd is met de Grondwet en dus niet vernietigd wordt. Enkel een overgangsregeling voor de werklozen die al lang werkloos waren, doorstaat de toets met de Grondwet niet en moet aangepast worden.

Wat houdt de nieuwe regeling in?*

Om recht op werkloosheidsuitkeringen te  hebben, moet de werkloze, ongeacht zijn of haar leeftijd, 312 gewerkte of gelijkgestelde dagen in de periode van 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag tot werkloosheidsuitkeringen bewijzen. Enkel gewerkte dagen als werknemer en gelijkgestelde dagen in de hoedanigheid van werknemer worden in aanmerking genomen.

Het vereiste aantal dagen is uitgedrukt in de zesdaagse werkweek waarin er 26 arbeidsdagen per maand zijn. 312 dagen komt dus overeen met een voltijdse tewerkstelling of gelijkgestelde periode gedurende 12 maanden. Deze voorwaarde noemt men de toelaatbaarheidsvoorwaarde.

De toelaatbaarheidsvoorwaarde was vroeger strenger.  Personen ouder dan 36 jaar bij de aanvraag moesten meer arbeids- of gelijkgestelde dagen aantonen om uitkeringen te kunnen bekomen. De periode waarin het vereiste aantal dagen moest aangetoond worden was voor personen jonger dan 50 jaar ook korter dan 3 jaar.

Voldoet een persoon aan de nieuwe toelaatbaarheidsvoorwaarde, dan heeft hij of zij  recht op uitkeringen voor een periode van 12 maanden. Dit wordt de eerste vergoedingsperiode genoemd.

Die eerste periode van 12 maanden wordt verlengd met 1 maand per bijkomende periode van 104 gewerkte of gelijkgestelde dagen. 104 dagen stemt overeen met 4 maanden tewerkstelling of gelijkgestelde periode. De verlenging is beperkt tot 12 maanden. Deze bijkomende periode wordt de tweede vergoedingsperiode genoemd.

De optelsom van de eerste en tweede en dus de maximale vergoedingsperiode bedraagt 24 maanden of 2 jaar.

Deze wijziging vormt een radicale breuk met het verleden. Werkloosheidsuitkeringen werden in het verleden zonder beperking in de tijd toegekend. Enkel als de werkloze zijn verplichtingen niet nakwam, kon hij voor bepaalde of voor onbepaalde tijd uitgesloten worden van het recht op uitkeringen.

Welke grondwettelijke regels zouden een hinderpaal kunnen vormen voor de nieuwe regeling?

Artikel 23 van de Grondwet waarborgt aan eenieder het recht op sociale zekerheid. In samenhang gelezen met andere bepalingen uit internationale verdragen houdt dit artikel de zogenaamde standstill-verplichting in. Dit wil zeggen dat de wetgever de bescherming, geboden door de sociale zekerheid, niet in aanzienlijke mate mag verminderen zonder redelijke verantwoording.

Dat de nieuwe regeling een aanzienlijke achteruitgang van de bescherming bij werkloosheid teweegbrengt, is volgens het Hof duidelijk. De uitkeringen worden immers beperkt in de tijd, terwijl dit voorheen niet het geval was.

Maar het Hof is van oordeel dat de door de wetgever doorgevoerde wijziging  redelijk verantwoord is, rekening houdend met de doelstellingen van de nieuwe regeling en met een aantal maatregelen die de gevolgen van de beperking van het recht op uitkeringen in de tijd enigszins verzachten.

Drie doelen werden bij de totstandkoming van de wet door de wetgever uitgebreid benoemd: de werkgelegenheidsgraad verhogen, de houdbaarheid van het sociaal stelsel waarborgen en het terugdringen van het begrotingstekort. Het Hof is van oordeel dat dit redelijke doelstellingen zijn die de nieuwe regelgeving rechtvaardigen.

Het Hof verwijst ook naar een aantal maatregelen ten voordele van de uitkeringsgerechtigde. Dat is in de eerste plaats een snellere toegang tot het recht op werkloosheidsuitkeringen doordat voor alle leeftijdscategorieën 312 arbeids- of gelijkgestelde dagen volstaan om uitkeringen te bekomen. In de tweede plaats zal door een wijziging in de berekeningswijze van de werkloosheidsuitkeringen deze voor bepaalde werklozen in de eerste 6 maanden van de werkloosheid hoger zijn dan vóór 1 maart 2026 het geval was. Dat neemt niet weg dat het Hof erkent dat globaal genomen de bescherming van werklozen wordt afgebouwd, maar dit is verantwoord in het licht van de hiervoor vermelde doelstellingen.

Het principe van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen wordt niet vernietigd.

Welk deel van de nieuwe regeling sneuvelde wel?

De nieuwe regeling voorzag in een overgangsregeling voor personen die op 30 juni 2025 al werkloos waren en op dat moment omwille van de lange duur van hun werkloosheid gedaald waren tot het laagste niveau van werkloosheidsuitkeringen. Dat zijn de personen die, volgens de oude regeling, zich bevonden in de derde vergoedbaarheidsperiode. Tijdens die periode wordt de werkloosheidsuitkering niet meer berekend op basis van het laatst verdiende loon, maar is het een forfaitaire vergoeding.

Afhankelijk van de duur van hun werkloosheid verloren zij het recht op werkloosheidsuitkeringen op 1 januari, op 1 maart of op 1 april 2026. Dit is respectievelijk ongeveer 6, 8 en 9 maanden na de datum van de wet die het stelsel hervormde.

Voor de werklozen die zich op 30 juni 2025 nog niet in de derde vergoedbaarheidsperiode bevonden en dus op dat moment minder lang werkloos waren, gold dat zij ten vroegste op 1 juli 2026, d.i. na  ongeveer 12 maanden hun werkloosheidsuitkeringen konden verliezen. En ook voor personen die na de inwerkingtreding van het de nieuwe regeling werkloos worden en voldoen aan de toelaatbaarheidsvereiste, geldt dat zij minstens gedurende 12 maanden werkloosheidsuitkeringen bekomen.

Het Grondwettelijk Hof acht dit verschil in behandeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel, opgenomen in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij ziet geen redelijke verantwoording voor dit onderscheid en oordeelt dat alle werklozen bij wijze van overgangsregeling nog minstens 12 maanden, te rekenen vanaf 1 juli 2025, hun uitkeringen moeten kunnen behouden.

Deze uitspraak heeft tot gevolg dat werklozen die op 1 januari, 1 maart of 1 april 2026 hun uitkeringen verloren, deze opnieuw kunnen bekomen en dat tot uiterlijk 30 juni 2026.

 

* De werkloosheidsreglementering is erg complex. Dit artikel poogt op heldere wijze de principes van de beperking van de uitkeringen in de tijd uiteen te zetten. Het laat om die reden bepaalde voorwaarden en technische aspecten van de nieuwe regeling met opzet achterwege.

Sabine Vanoverbeke

Heeft u nog vragen? Commit Advocaten helpt u graag verder.

Ondanks alle zorg die besteed is aan het opstellen van deze tekst, blijven vergissingen en/of onvolkomenheden mogelijk. De auteur en Commit Advocaten bv kunnen daarvoor geen aansprakelijkheid aanvaarden.